foto by Erik Krause

Mensen in het bos

"Want, broedertjes, meent gij soms dat het Paradijs iets
anders is dan deze tot deugd gekeerde aarde?"
(Franciscus)


De climaxbegroeiing van de aarde is woud. Hetgeen betekent dat boombedekking het minst tijdelijke landschap op aarde is; alle andere landschappen, of ze nu het gevolg zijn van klimatologische omwentelingen, natuurrampen, of van menselijk ingrijpen, zijn minder permanent. Andere niches, van min of meer blijvende aard, zijn te vinden aan kusten en oevers of aan de rand van hete of koude woestijnen. Open plekken spelen een belangrijke rol in de biodiversiteit. De mens is terechtgekomen in dergelijke randgebieden toen voor hem een noodzaak ontstond voor visuele beheersing van z’n omgeving, waardoor zijn overlevingskansen in groepsverband werden vergroot. Na zijn overwicht ten opzichte van de dierenwereld te hebben verzekerd, moest de mens de strijd aanbinden met z’n soortgenoten, (daar was het allemaal toch waarschijnlijk om begonnen), hetgeen na behaalde overwinning een blijvend toezicht inhield op de nieuwe aanwinsten. In het woud kon de tegenstander zich verschuilen en verzet blijven bieden. Als gevolg daarvan eindigden dit soort conflicten steeds vaker met platgebrande bossen en oogsten. Politieke macht ging gepaard met kaalte en de beschaving ontstond in landschappen met uitzicht. Die periode is voorbij. In moderne oorlogen biedt het woud geen adequate bescherming meer aan de strijdende partijen, tactische beweegredenen om het zonder bomen te doen gelden niet meer. Wat blijft is niet meer dan een oude gewoonte, een soort (agri)culturele compulsie die ons een permanent vrij einder opdringt, hoewel daaraan, voor een meerderheid van mensen, evenzovaak afbraak wordt gedaan door wolkenkrabbers en zelfs het huis van de buurman. Maar die horizonhonger blijft op een of andere manier knagen: de meeste documentaires op de tv geven ons een blik op ruimte, de meest populaire onder hen tonen het leven van grote zoogdieren in de savanne of in de oceaan. Hetzelfde geldt voor reportages in dure tijdschriften. Hoe een dergelijke neiging te verzoenen met het leven temidden van woudreuzen, is wellicht een probleem van voorbijgaande aard. Want ook de kudde olifanten die voorthobbelt over de grote vlakten, van de ene naar de andere drinkplaats, gevolgd door onze camera, begeeft zich, of zou zich uiteindelijk willen begeven, naar het woud, waar hij uit ons zicht verdwijnt.

De mens is in het woud begonnen. We hoeven niet diep te graven om op archetypische beelden te stuiten van wouden en bomen in onze innerlijke landschappen. De vrees die ons bevangt in duistere bossen is een recentere bijdrage van de beschaving. Tot voor kort was de aarde overdekt met heel wat meer woud dan nu het geval is. Tweeduizend jaar geleden lag gematigd Europa nog onder een dicht dek van gevariëerd loofbos. Tienduizend jaar geleden waren er in Palestina dichte bossen van voornamelijk eiken en reuzenterebinthen. De verdwijning ervan heeft de langzame trek van de mens naar de beschaving op de voet gevolgd, met name na de domesticatie van schapen, antilopen en geiten, die allemaal wel een boompje lusten. De mens had voortaan een rijke bron van vlees en melk tot zijn beschikking, ook al moest daar een prijs voor worden betaald en dat stelde hem in staat in grote nomadengemeenschappen te leven, die steeds mobieler werden naarmate de kudden zich uitbreidden en de behoefte aan weidegronden wies. Hoewel het varken al eerder tot een tam huisdier was gemaakt, verloor het aan populariteit en in plaats van varkens te houden en bomen te planten, vond de nieuwe samenleving de landbouw uit, de mogelijkheid om oogstgewassen van velden te halen. Vruchtbare, bevloeibare gebieden brachten oogsten op die opgeslagen konden worden en een dichte bevolking voeden. Deze groepeerde zich in dorpen die bijwijlen uitgroeiden tot ware steden, binnen de muren waarvan zich een grote hoeveelheid gespecialiseerde beroepen ontwikkelde, waaronder soldaten, die de omringende nomadenstammen konden dwingen tot schatting in de vorm van vlees en melk. Verschillende modellen en factoren zijn elders naar voren gebracht om de totstandkoming van stedelijke beschavingen te beschrijven. De nadruk moet mijns insziens gelegd worden op een enorme bevolkingsaanwas in gebieden van rijke opbrengst, de complexe en gestructureerde samenlevingen die daarvan het resultaat waren, gepaard aan ongehoorde machtsconcentraties, waarvoor overleving concurrentie inhield met naburige stammen, die moesten worden geëlimineerd of onderworpen. Daarmee gingen teloor de paradijselijke deugden van speelsheid en verdraagzaamheid die allengs vervangen werden door machtsstreven en een groeiend angstig schuldbesef, doordat de mens plotseling de moordenaar van zijn broeder was geworden, zij het op last van hogerhand. Want de godenwereld had ich aan de nieuwe situatie aangepast en weerspiegelde de behoeften en zorgen van de nieuwe samenleving die nu in twee klassen was gesplitst: de elite, die redelijk uit de voeten kon met deze nieuwe gevoelens, waarbij vooral uitingen van waanzin en hebzucht opgeld deden, en de anderen, minder capabel of eerzuchtig, of minder hooggeboren, die hetzij tot slavernij werden gedwongen, hetzij tot diverse vormen van beloonde dienstbaarheid werden verleid middels hersenspoeling met stimulerende sociale, artistieke en vooral religieuze waarden en door toediening van stressverminderende substanties, zoals graan, melk, alkohol en drugs*. Dergelijke samenlevingen groeiden tenslotte uit tot complexe staten, met de bijbehorende culturele rekwisieten waarin een bevolking zichzelf kon herkennen, waaronder vaak uit oude overleveringen stammende taboes.

Het zwijn was de wroetende metgezel geweest van de godin van de humusrijke, donkere aarde, die mens, plant en dier voedde, de grote Moeder, aan wie het werd geofferd in rituelen van dood en wedergeboorte van de seizoenen. Haar (Demeters) geschenk van het graan aan de mensheid (en ook haar groeiende neiging om zich te verlustigen in het schouwspel van strijdende mannen), luidde haar eigen ondergang in en tegelijkertijd die van het varken. De patriarchale samenleving had geen plaats voor zwijnen, om practische redenen, maar ook omdat hun diabolisering de weerspiegeling was van de veranderde status van de vrouw.

In het oude Egypte werd het varken gezien als een verachtelijk dier, een vernieler van oogsten, een alleseter die menselijke uitwerpselen niet versmaadde, noch bij gelegenheid een babie, met vertoon van schier menselijke achterbaksheid, hetgeen het beest in de invloedssfeer van de god Set, een voorloper van Satan, deed belanden. Het zal ook niet als een verrassing komen dat het, als gevolg van een godsdienstig taboe, van de tafel der Joden verdween. Vanaf 1000 voor Christus worden er geen botten van varkens meer gevonden in hun huishoudens. Dit taboe spreidde zich uit tot andere nomadische monotheismen.

Er waren verschillende redenen voor deze suksesvolle uitbanning van het varken. Als men het niet kan maken tot een slimme, goedhartige huisgenoot, kan het een sluwe en gevaarlijke tegenstander zijn, die moeilijk in kuddeverband valt te weiden of op te sluiten, met de middelen waarover men toen beschikte. Het kon derhalve een bedreiging vormen voor de gewassen of zelfs de opgeslagen oogsten. Het leeft bij voorkeur in het bos, waar bij voorbaat de heersende klassen geen controle over hun werkers hebben. Bovendien kan het varken een dodelijke parasiet doorgeven aan de mens, hoewel het wormpje in kwestie betrekkelijk makkelijk vermeden kan worden door het vlees tot zestig graden te verhitten. En tenslotte, omdat het een intelligent beest is dat anatomisch veel weg heeft van de mens en smakt bij het eten, kan men het in de kneedbare verbeelding van bijgelovige mensen makkelijk tot een vertegenwoordiger van het kwaad maken.

We gaan er over het algemeen van uit dat het woud de huidige wereldbevolking niet kan huizen en voeden, gezien het feit dat slechts spaarzame, maar vrijheidminnende bevolkingen van Pygmeeën, Indianen, Papoea’s en enkele bergstammen elders er een bestaan vinden. Met andere woorden, er moet aangetoond kunnen worden dat een bos een oogst kan opleveren of een onderkomen kan zijn voor een kudde dieren, in dezelfde of in grotere mate als een beploegd stuk land. Op het eerste gezicht lijkt het er wel op dat een kastanje- of een noteboom meer voedsel oplevert dan eenzelfde stuk graanland, met minder inspanning en vervuilende energie. En terwijl kastanjes, noten en andere vruchten direct door de mens genuttigd kunnen worden, moeten eikels en andere bosvoortbrengselen eerst in dierlijke eiwitten worden omgezet.

Sinds enkele tientallen jaren is veel van het oerbos teloorgegaan als gevolg van onverantwoordelijk en illegaal kappen en branden. Dit heeft geleid en zal leiden tot een algemene ramp waardoor ecologische systemen en processen waarvan alle leven afhangt, worden bedreigd.

Nieuwe mogelijkheden worden geboden door de technieken van de agrobosbouw, een combinatie van akker- en bosbouw: "()(waarvan) ik me kan voorstellen dat, met de enorme middelen waarover we beschikken, hij zou kunnen worden bedreven in lange lanen die de lengte en de breedte hebben van een snelweg, gescheiden van elkaar door evenbrede of bredere stroken, begroeid door natuurlijk bos, en eventueel verbonden met elkaar door middel van tunnels hier en daar.

Een zodanige aanpak zou minstens twee voordelen hebben: in de eerste plaats vormen voor de continuïteit van het woud dergelijk langgerekte stroken geen andere onderbreking dan andere open plekken, en wordt er daarmee derhalve geen inbreuk gedaan op de voorwaarden voor het bestaan van een continu en gevariëerd ecosysteem. In de tweede plaats zullen de productieve stroken profijt trekken van de bescherming van het naburige woud dat onevenwichtigheden, die uit kunstmatigheid voortvloeien, recht zet en overwaaiende of anderszins verspreide ziekten en schadelijk gespuis absorbeert.

Bovendien zal het bewerken en oogsten van een dergelijke laan van, pak weg, honderd kilometer lang, duidelijk minder energie kosten en makkelijker geautomatiseerd kunnen worden.

Zo een revolutie zal niet plaats kunnen vinden zonder een autoritair ingrijpen van de staat. In tijden van oorlog wordt zulk een ingrijpen acceptabel geacht. De strijd om ons voortbestaan is een dergelijk offer wel waard."

De mensheid is groot geworden op tragische achtergrond, met angst als voornaamste drijfveer van haar creativiteit. Toch wordt er gelachen en blijven de mensen hopen en streven naar genot en het genoegen van medemensen. Wat zal de toekomst brengen, met welke technische prestaties zullen we nog worden geconfronteerd? Indien onze moeizame tocht naar het paradijs een opwaartse kromme vertoont, omdat elke generatie, elke familie en elk individu de mogelijkheid benut om via rijpingsprocessen tot geestelijke wasdom te komen, waarbij nederigheid en liefde, of trots en waardigheid, uiteindelijk de overhand krijgen,- maar misschien moeten we eenvoudig niet vergeten onze dagelijkse pil te slikken -, zullen we ooit in de buurt ervan geraken. Paradijs is evenwel voornamelijk bebost, en in plaats van in onze kleine droombungalow op een benepen stukje tuin, zullen we wonen op een open plek in het bos of aan een rivier, ongeveer zoals Indianen in het Amazone gebied, met wellicht, als alternatief, een comfortabele flat op de honderdste verdieping van een wolkenkrabber (of zelfs in gesophistikeerde ondergrondse of zwevende steden), met uitzicht op onze prachtige hangende tuinen en daarachter een oerbos, een savanne of een woestijn, een of ander oorspronkelijk landschap, waar we zomaar in kunnen stappen zonder noemenswaardige inbreuk, dank zij natuur-vriendelijke technische middelen. Nog verder weg, in daartoe aangewezen gebieden, wellicht enkele miljoenen hectares gewijd aan aardevriendelijke landbouw. Of staan we, blootsvoets, op een wit strand, met in onze hand een gladde kiezelsteen die ons de toegang verleent tot het heelal...



* Zie hierover een interessant artikel dat ingaat op de aanwezigheid van exorfinen in granen en melk: The origins of agriculture - a biological perspective and a new hypothesis, door
Greg Wadley & Angus Martin, uitgegeven in Australian Biologist 6: 96 - 105, June 1993

© A.Thyssen, 2001